De kuikens, ook wel pullen genoemd, hebben zwart-wit gestreepte lichamen, waaraan de ouders ze kunnen herkennen. Enkele dagen nadat ze uit het ei zijn gekomen kunnen de kuikens al zwemmen. Toch zie je vaak dat de ouders de jongen op de rug meenemen, zelfs tijdens het duiken. Op de rug zijn de kuikens beter beschermd tegen roofvissen en reigers. Na ongeveer tien weken zijn de jongen zelfstandig.
In het voorjaar bouwt een futenpaar een speelnest op het water om verliefd op te vrijen. Kort daarna wordt langs de waterkant een steviger nest gebouwd, waar de eieren in worden gelegd. Beide ouders broeden die om beurten uit, hoewel het nest soms voor kortere tijd wordt verlaten. Dan worden de eieren met plantenresten afgedekt, dit ter camouflage. In de broedperiode kan de fuut minder goed vliegen, waardoor hij kwetsbaarder wordt voor verstoringen in zijn leefomgeving.