Algemeen

De elektronicawinkel van Teije de Vos (75) uit Jubbega: “Iemand kan er zo mee verder, met wat ik heb”

Tien jaar geleden had De Vos al willen stoppen, hij werd tenslotte 65, maar het kwam er niet van. Inmiddels is Teije de Vos 75 en hij heeft de winkel nog steeds. “Als hobby”, zegt hij. Want hij hoeft er met een AOW niet van te leven. Maar alle inventaris, van televisietoestellen en radio’s tot wasmachines en lampen, doe je niet zo maar weg.

Afbeelding
JUBBEGA - Aan de Jelle van Damweg 21, in het winkelcentrum van Jubbega, bij het standbeeld van Paulus Jakje, bevindt zich al jaren de witgoedwinkel van Teije de Vos.

Als we hem in zijn winkel opzoeken voor een interview, nodigt Teije de Vos ons uit in het opkamertje achter in de winkel, ingericht als kantoortje. Kasten vol dossiers aan de muren, met een oud kopieer- en senseo-apparaat tussen de paperassen in. Die oude kopieermachine doet het nog best. En anders repareert Teije hem wel. Zoals hij ook oude radio’s weer repareert. We krijgen koffie met een dik plak koek, terwijl Teije meteen honderduit begint te vertellen. Hij zit vol verhalen.

“As jo dysleksy ha, dan ha jo de harses oars sitten”

“Ik bin gjin lêzer , ik ha dysleksy,” begint hij, “mar ik kin wol in boek skriuwe oer myn libben.” Dan moeten we nog een keer terug komen, zeg ik, want nu hebben we maar één pagina. “Ik bin dan wol gjin lêzer, mar ik wie de skoalmaster de baas wat rekkenjen, oangiet!”, vervolgt hij. Dan ging het vooral om optellen. Teije probeert mij een paar keer uit te leggen hoe hij in een mum van tijd getallen optelt, maar ik begrijp er niets van. “As jo dysleksy ha, dan ha jo de harses oars sitten”, legt hij uit. “En ik sjoch dwers troch oare minsken hinne.” Teije ziet al aankomen wat mensen gaan zeggen, nog voordat ze het gezegd hebben. Als je dyslexie hebt, werken je hersens anders, en kun je andere dingen juist heel goed, volgens Teije de Vos. “Op mijn veertiende reed ik al in een auto.” Teije de Vos neemt ons in zijn verhaal mee naar een groentezaak in Akkrum, ergens rond 1950, daar waar het allemaal begon.

Met de autoped door Akkrum

“Us heit was groenteboer in Akkrum en ik bracht bestellingen rond. Op mijn vijfde, met de autoped. Bij de minder voorname mensen moest ik een zakje zuurkool afleveren in vetvrij papier met een krant er omheen en bij de voorname mensen moest er een wit papier omheen in plaats van een krant, en in een schone tas. Niet zo eentje, waar al aardappelen in hadden gezeten. Dan kwam ik bij zo’n hoge stoep met een deurbel waar ik niet bij kon, en dan schopte ik met mijn klompjes tegen de deur. Ik werk al zeventig jaar, als je het zo wilt zien. Ik ging op mijn 14e van school en kwam bij heit in de zaak terecht. Mei de auto ride.”

Op zijn vijfde bezorgde Teije zuurkool met de autoped, op de lagere school groente met de transportfiets en al op zijn veertiende rijdt hij op de bezorgauto. “Dan zei heit: ‘Pas op, datst gjin plysje tsjinkomst!’ Maar de plysje wist het wel, ze knepen een oogje dicht als ze mij zagen. Dat hadden heit en de plysje zo afgesproken, maar dat wist ik niet. Op mijn achttiende heb ik mijn rijexamen gehaald. In één keer. Ik moest afrijden bij Anne Haanstra in Heerenveen. De broer van de rijschoolhouder, Piet Haanstra, was onze fruitgrossier, die leverde ons de sinaasappelen en bananen. Ik reed al na twee lessen al af. Daarna heb ik ook in één keer het vrachtwagenrijbewijs gehaald, met een Opel Blitz. Ik moest bij het Breedpad en de Heerenwalsterbrug rijden. De brug stond open en daarna waren er rijen auto’s waar ik doorheen moest, richting winkelcentrum. Ik reed er wel doorheen, maar had ook een ingreep en de examinator zei: ‘Rij maar direct door naar de Schouwburg.’ Ik dacht dat ik gezakt was. ‘Je bent met lof geslaagd. Dat door die rijen auto’s rijden, dat kan ìk niet met de vrachtwagen’, zei hij.”

“Mei de poaten yn ‘e snie”

Als hij achttien is, komt Teije in februari 1964 ook in militaire dienst terecht, maar dat wordt geen succes. Het avontuur komt na zo’n acht weken ten einde. Heit De Vos dacht dat het goed voor Teije was, die militaire dienst. “Je moet zien, dat je bij de Verbindingen komt,” had heit gezegd, “dan kun je wat leren.” En Teije wíl ook wel.

“Mar ik stie mei de poaten yn ‘e snie! En ik moast plat op ‘e bealch troch dy sniedrek. En ik kin mysels net gek krije. ‘Dat kin ik net,’ sei ik doe. “Il wol it wol, mar ik kin it net!’” Later moet hij ’s avonds voor hij gaat slapen de veters uit zijn schoenen halen om ze er de volgende ochtend bij het wakker worden er weer in te doen. En weer is het: “Dat kin ik net!” Teije wil geen dienst weigeren, maar dit soort opdrachten, daar kan hij met zijn hoofd niet bij. Teije krijgt straf en moet de vloer aanvegen met een kleine borstel. Na meer van dit soort botsingen wordt hij na acht weken afgekeurd; er is in de militaire dienst niks met Teije de Vos te beginnen. Niet omdat hij niet wil, maar omdat hij het niet kan. Als Teije de Vos er nu weer aan terugdenkt, zegt hij hoofdschuddend: “Wat een gekkenwerk”

“De baas wie wiis mei my”

Na de militaire dienst komt Teije In 1964 als ‘jongfeint’ bij Jan van Dam, installateur in Jubbega, aan het werk. Het bedrijf, de firma Gebroeders Van Dam, beschikt over een winkelpand, hetzelfde pand waar nu de witgoedzaak van De Vos is gehuisvest. “De baas wie wiis mei my”, kijkt De Vos terug. Daar repareert hij kapotte radiotoestellen en andere apparaten. “We kregen ingeruilde televisietoestellen, waar alleen Nederland 1 op zat. Dan monteerde ik Nederland 2 er bij in, zodat we de toestellen duurder kon verkopen. Toen Van Dam stopte in 1970, heb ik de zaak overgenomen. Eigenlijk is het mijn hobby, de winkel, of beter gezegd, het repareren van kapotte radiotoestellen. Alles kan weer worden gemaakt, waarom zou je het weg doen?”

Met een hobby stop je niet zo gauw, en daarom heeft Teije de Vos op zijn 75e ook nog steeds de winkel. Wat moet er worden van al die wasmachines, televisietoestellen en lampen en alles wat er nog meer aanwezig is, vragen we. “Iemand kan er zo mee verder, met wat ik heb”, is het antwoord. De Vos toont ons oude radio’s uit de jaren zestig, de pronkstukken in de winkel, en ook een model van een groentekar, maar “dy is net te keap!”

“Myn AOW giet er oan op, mar ik fyn it moai. Sinten kinne my net safolle skele. En ik ha noait sein: ‘Ik moat noch sa lang’. Ik fyn it in moai libben, sa at ik it altiten hân ha.”

Door Henk de Vries Foto’s: ©Hielke Weening

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding