Algemeen

Onbaatzuchtige Antje Anepool met hart en ziel in de weer voor anderen

Bij de zithoek stapt ze over op de steun van haar gestileerde wandelstok. Zo past die beter bij het leren jack dat ze draagt, vertelt ze later. “Ik heb geen nieuws, zijn we ook zo klaar.” Als de fotograaf en ik ons voorstellen als Johan en Kirsten, moet zij even wennen. “Ik noem de mensen bij hun achternaam.” Zij stelt zich dan ook voor als mevrouw Anepool. Het duurt echter niet lang voordat ze ‘Johan’ door het huis schalt, als ze nog iets ziet wat hij ook wel even op de foto kan zetten.

Afbeelding
OUDEMIRDUM - “Ha, kom toch binnen”, zegt ze hartelijk. Voorover gebogen duwt ze haar rollator voor haar uit door de woonkamer.

Naast haar op de bank ligt het haakwerkje dat ze zojuist opzij legde voor het openen van de deur. Haar handen vinden weinig rust. Iedere dag haakt ze wel een muts. Ze is altijd creatief geweest, zegt ze. Ze gaf les aan ouden van dagen. Japans borduurwerk, haken, breien. Van niets maakt ze iets, ze stoort zich dan ook wel aan de ‘wegwerpmaatschappij’. “Het is ongelooflijk wat mensen weggooien. Dat was vroeger wel heel anders.” In kringloopwinkels vergaart ze allerlei spullen. Van sokken tot kinderkleding, maar ook materiaal om dingen van te maken. Dat verzamelt ze in dozen en daarna zorgt ze dat die terecht komen bij mensen die het goed kunnen gebruiken.

“Ik spaar altijd alles”

De inmiddels 86-jarige Antje Anepool kwam in 1933 onder de naam Weersma in Ferwoude ter wereld. Het gezin had nog één zoon. Lang zouden ze niet in Ferwoude blijven wonen. Voor het werk van heit, boerenhulp, verhuisden zij naar Hindeloopen, waar Antje naar de lagere school ging. Toen al vond Antje het weggooien van spullen zonde en verzamelde ze graag mooie dingen. “Pipekopkes”, zegt ze. “Die braken van de pijp. Als de sloten gehekkeld werden vond ik die langs de kant. Ik spaar altijd alles”, lacht ze hoofdschuddend. En daar is niets van gelogen. Haar huis staat vol, maar niet té vol. Prullaria, snuisterijen en handwerkjes. Glas-in-loodramen ingezet in de kamerdeuren. “Komt uit een kerk in Hongarije. Wilden ze weggooien.” Alles heeft keurig een plaatsje in de kamer, netjes op elkaar afgestemd. Antje heeft er duidelijk oog voor.

Verpleegster

Het gezin blijft ook niet in Hindeloopen; heit kan aan de slag bij een boer in Easterein. Op haar 17e begint Antje in de verpleging, in Beetsterzwaag. “Dat mocht nog niet. Daarvoor moest je achttien zijn, maar ik was flink en sterk van het werken bij de boer.” Ze volgde allerlei cursussen, maar als ze verder wilde leren, moest ze naar Bronovo in Den Haag. In die tijd waren er geen lesgeldregelingen en haar ouders konden dat niet betalen. Daar hield het voor Antje op. “Zo was het in die tijd”, zegt ze knikkend. Hoewel de benen de laatste jaren moeite hebben, zit ze nog vol energie. Van hak op de tak wroet ze door de jaren heen.

In 1958 gaat Antje op de ziekenafdeling in het Armenhuis in Bolsward werken. De chef-laborant van een Bolswarder fabriek, een zekere heer Anepool, ziet de jonge verpleegster daar en zij laat hem niet meer los. Op een later treffen besluit hij achter haar aan te gaan. “Het was een tijd dat je geen verkering mocht. Je mocht niet samen naar een kamer.” Dat omzeilde het stel op een ludieke manier. “Als ik vrij was, dan zette ik een krant achter het gordijn, zo wist hij dat ik vrij was. Dan gingen we de stad in.”

Zuivelzaak

Ze trouwden in datzelfde jaar. De heer Anepool had eerder met voorbedachten rade een huis aangeschaft in Bolsward. Dat verhuurde hij aan de plaatselijk bankdirecteur, onder voorwaarde dat wanneer Anepool trouwde, de bankdirecteur elders heenkomen zou zoeken. “Een man een man, een woord een woord”, zegt Antje. De bankdirecteur trok de melk op en weigerde te vertrekken. “Toen hebben we nog een jaar in een huurwoning gewoond.” Antjes echtgenoot volgde nog een studie, waarvoor hij een dag in de week naar Groningen moest, maar hij kreeg van de fabrieksdirecteur geen vrij. Toen besloot hij te vertrekken. “Vrienden van ons vertelden over een zaak in Leeuwarden. De ondernemer was failliet gegaan en het stond leeg. Een zuivelwinkel met specialiteit in kaas en een bijbehorende wijk, waar we met de ventwagen doorheen konden.” Ze gingen vol voor het avontuur in Leeuwarden. “We hebben het van de grond af opgebouwd. Er zat niets meer in. Nou ja, er stond een pak soep in de stelling en een fles pareltsjebrij (watergruwel, red.) op de koelkast. Ik haalde ook mijn middenstanddiploma en mijn rijbewijs.” Het waren mooie, maar beweeglijke tijden. “Er kwamen aldoor winkels bij, op iedere hoek wel een. Toen de autogarage ook een supermarkt erbij begon, zijn we direct gestopt.” Ze verbouwden het huis en Antje ging creatieve lessen geven aan ouderen.

Diepe indruk

Antje en haar man maakten graag verre reizen. “Maar niet naar warme landen, daar hielden we niet van.” In 1969 namen ze de Transsiberië Express naar Vladivostok. Acht dagen in de trein. “Ik zag vooral veel berken”, merkt Antje op. “Dus vlogen we vanaf Vladivostok terug in een tupolev. Eens en nooit weer, zal ik je vertellen. Alles was stuk, het vliegtuig was geheel aan zijn eind.” Ze reisden ook naar de Noordkaap, Bulgarije, Hongarije en Roemenië. Hetgeen wat op die reizen misschien wel het meeste indruk maakte was een avond in een restaurant in Roemenië, toen zag ze de serveersters de kruimels van tafel in de zak van hun schort vegen. “Dat aten ze dan nog. Ze hadden niks, wat een ellende.”

Naar Oudemirdum

De armoede raakte hen diep en liet Antje eigenlijk nooit meer los. Zo’n dertig jaar geleden besloten Antje en haar man het huis in Oudemirdum te bouwen. “Mijn wortels liggen in Gaasterland. Mijn heit komt uit Bakhuizen en mem uit Wijckel.” In Oudemirdum had ze ook nog een oom en tante wonen. Hier leerde ze ook Diete uit Nijemirdum kennen. Diete was sorteerder, zamelde spullen in die naar de behoeftigen in Roemenië gingen. Antje besloot haar te helpen. Toen Diete stopte met het inzamelen, vond Antje een ander adres. Toen ook zij stopten, besloot ze zelfstandig door te gaan. Ze verzamelt de spullen in haar eigen huis, daar stelt zij hele dozen samen. Kleding, speelgoed, naaisetjes.

“Ik verzamel van alles. Als ik iets leuks vind, dan maak ik daar wat van, want weggooien dat is toch zonde.” Mutsen, sjalen, sloffen, poncho’s, alles haakt en breit ze zelf. Ze leukt ze op door er kleine sieraden op te verwerken. Van de kringloop haalt ze ook poppen; een vriendin maakt de poppenkleertjes. Twee setjes, die doet ze in een zakje bij de pop. “Een setje om aan te hebben en een setje om te verschonen”, zegt ze terwijl ze op het zakje klopt.

Als ze zo’n twintig dozen heeft samengesteld, dan belt ze en worden ze opgehaald door een organisatie in Urk, die ze naar Roemenië verschepen. Spullen en garen koopt ze bij kringloopwinkels, dikwijls hangt er ook weleens een tasje wol aan haar deur.

Klein museum

In de werkkamer staat een doos die zojuist is ingepakt. Het is er net een klein museum. Een kast vol spijkervaasjes uit de jaren dertig. Aan de wand hangt een doek vol decennia-oude handwerkgereedschappen. Geborduurde patroontjes uit begin 1900. Als ik iets aanwijs met de vraag wat het is, lacht ze hard. “Dat jij dat niet weet!” Radeerwieltje, zegt ze. Om patronen op het stof te krijgen bij het naaien. Ze vergeeft het mij, een ander dacht nog dat het een pizza-mes was.

Onbaatzuchtig

Aan de wand hangt een groot geborduurd schilderij. “O, ja, dat heb ik ook gemaakt. Ik deed er een jaar over. Ik heb er nog drie van gemaakt”, zegt ze schouderophalend.

Mevrouw Anepool zit nooit stil, maar ze is vooral in de weer voor anderen. Het zijn mooie tijden geweest, maar nu ze ouder wordt, wordt het ook wat stiller om haar heen. Ze kreeg geen kinderen. Nu haar broer, diens vrouw, haar man en andere bekenden haar langzaam zijn ontvallen, is ze vaker alleen. “Maar ik heb wel wat te doen hoor”, zegt ze gauw en al snel verschijnt er weer aan lach op haar gezicht. “Ja, ik heb ook nog een auto, ik kom overal. Van de week was ik nog in Franeker, met een vriendin, even naar de kringloop.”

Door Kirsten van Loon Foto: Johan Brouwer

Afbeelding