Algemeen

Kinderboekenschrijver Dolf Verroen: “Ik heb veel verbeeldingskracht, maar geen fantasie”

Dat zijn de eerste vier regels van het kinderboek ‘Piet en Sjoe’ (1960) van de bijna negentigjarige schrijver Dolf Verroen. Dat boekje, over de belevenissen van Piet en zijn negervriendinnetje Sjoe uit een gastarbeidersgezin, betekende de ommekeer in de carrière van Verroen. Hij besloot op dat moment alleen nog maar kinderboeken te schrijven. Inmiddels heeft hij er 107 op zijn naam staan. Voordat hij op 32-jarige leeftijd dat cruciale moment bereikte, is er heel wat water door de Rijn gestroomd. Een portret van de in Sint Nicolaasga woonachtige kinderboekenschrijver Dolf Verroen.

Afbeelding
SINT NICOLAASGA - ‘Sjoe woont in Afrika. Daar schijnt elke dag de zon. Je hoeft er nooit een jas aan of een das om. Want het is er altijd warm’.

Verroen is geboren en getogen in Delft. “Ik was een verwend kind” vertelt hij. “Mijn ouders, hebben er tien jaar over gedaan (‘en daar waarschijnlijk veel plezier aan beleefd’) om mij op de wereld te zetten. Net toen ze zich erbij hadden neergelegd dat ze waarschijnlijk niet voor nageslacht zouden zorgen, raakte mijn moeder zwanger en eenmaal ter wereld was ik dus hun ‘Petit Prince’. In huize Verroen heerste een matriarchaat, mijn moeder trok aan de touwtjes. Ze was sociaal bewogen en politiek geëngageerd. Ze sloot zich aan bij de voorloper van de PvdA, de SDAP, en liet haar stem horen in betogingen voor vrouwenstemrecht. Zodra de oorlog uitbrak, stonden mijn ouders aan de goede kant. De meeste mensen werden pas anti-Duits toen er geen eten meer was, maar  mijn moeder ageerde tegen de Duitsers als bezetters van ons land. Wij hadden dan ook voortdurend onderduikers in huis.”

Dolf wist al vanaf zijn jonge kinderjaren dat hij schrijver wilde worden. Van zijn vader had hij tijdens de oorlog een zware Remington gekregen, die hij ergens had opgeduikeld. “Om te leren typen, maar dat vond ik een dodelijke saaie bezigheid. Dus begon ik er verhalen op te schrijven. De inspiratie voor mijn eerste boek deed ik op bij een boerengezin in Schipluiden, waar ik iedere dag een fles melk haalde. Toen ik het een uitgever aanbood, wilde die het meteen hebben en daar kreeg ik honderd gulden voor.” Het boek werd overigens pas in 1958 uitgegeven onder de titel: ‘Het boek van Jan-Kees’.

Sodom en Gomorra

Zijn naoorlogse Amsterdamse periode, op een zolderkamertje aan de Prinsengracht, herinnert hij zich als een heftige. “Niemand had een nagel om zijn kont te krabben.  Amsterdam was een Sodom en Gomorra waar de vooroorlogse normen en waarden ‘een blokje om waren’, maar de stad bruiste wel. Ik voorzag in mijn levensonderhoud door wekelijks een verhaal te schrijven voor een man in de Amsterdamse Beurs, over ‘kinderen en jam’. Voor vijftien gulden. Wat hij er mee wilde is mij nooit duidelijk geworden.” Wat wel duidelijk werd was dat Dolf Verroen en Amsterdam geen boezemvrienden zouden worden. Zijn vrienden zagen dat ook en haalden hem terug naar Den Haag

Hij had daar een grote verscheidenheid aan baantjes, onder andere in een Haagse boekhandel. Glimlachend: “De mensen hingen aan mijn lippen als over een boek begon te vertellen, maar ik verkocht nooit wat, terwijl een, overigens heel aardig meisje naast mij, dat volgens  mij nog nooit een boek had gelezen, het ene na het andere boek verkocht. Dat was ‘einde oefening’ van mijn ‘hoofdstuk’ als verkoper.”

Zijn carrière als ambtenaar bij de afdeling successierechten van de Belastingdienst duurde ook maar een jaar. Hij ontdekte er wel dat je erg belangrijk leek en niemand je wat vroeg wanneer je zelfverzekerd met een map onder je arm rondliep en spendeerde er uren in het  enorme archief op zolder, met tienduizenden testamenten. Lachend: “Behalve die van het Koninklijk Huis, want die lagen achter een hele dikke kluisdeur.”

‘U kunt het’

“Door een speling van het lot kon ik aan de slag als nacht-editor bij het Vrije Volk. Mijn chef daar was Maarten Vrolijk, de latere minister van CRM en Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, die voor de oorlog een getalenteerd dichter was. Na de juichende kritieken op mijn novelle ‘Van eeuwigheid tot Amen’ werd ik bij Maarten Vrolijk ontboden. Ik was bang dat ik mijn baan zou verliezen, maar het werd een hele verrassende ‘audiëntie’. ‘Ik heb uw boek gelezen’, zo begon hij, ‘En ik vond het erg goed. Maakt U nou niet de vergissing die ik heb gemaakt. Ik wilde verder in de literatuur, maar moest eerst mijn studie afmaken. Toen ik afgestudeerd was, moest ik eerst een baan hebben. Kortom, ik heb nooit meer geschreven. Maakt U nou niet die vergissing, want U kunt het’. In 1963, ik was toen 35 jaar, werd het Vrije Volk een ochtendblad en heb ik de beslissing genomen om full time schrijver te worden. De eerste tien jaar verdiende ik heel weinig en die waren echt zwaar.”

De opmaat voor de succesnovelle ‘Van eeuwigheid tot Amen’, was een ontmoeting met de heer Kingmans van uitgeverij Leopold. “Met gedichten hoefde ik bij hem niet aan te komen, ‘maar als ik een roman af had dan hoorde hij het wel een keer’. Dan hoorde hij het wel een keer? Ik had naar aanleiding van een half jaar op Corsica, waar ik op een huis van kennissen  paste, een manuscript klaarliggen; ‘Van Eeuwigheid tot Amen’. Nog geen tien minuten na de ontmoeting met Kingmans zat ik op de fiets met het manuscript in een envelop onder mijn arm. Om twaalf uur de volgende morgen kreeg ik een telefoontje van hem, om drie uur had ik een contract en drie maanden later was het ‘Het boek van de maand’ van De Groene.”

Kinderboeken

Na het eerste succesboek volgden een paar uitgaven die minder enthousiast werden ontvangen en Verroen raakte in een, zoals hij het zelf noemt ‘leegte’. “Ik zat soms een hele dag te zwoegen op één zin. Op een nacht werd ik wakker en er dwaalden zinnen door mijn hoofd:  ‘Sjoe woont in Afrika. Daar schijnt elke dag de zon. Je hoeft er nooit een jas aan of een das om. Want het is er altijd warm’. Dat was een cruciaal moment in mijn schrijverscarrière, want ik besloot toen om alleen nog maar voor kinderen te gaan schrijven.”

Dat werd hem door zijn collega-auteurs niet in dank afgenomen. Er werd op hem neergekeken, het was een degradatie. Dat liet hem koud, hij stortte zich op de kinderboeken. Vond in zijn eigen emoties en gedachtewereld een rijke bron van inspiratie voor onderwerpen. Na Sjoe en Piet (1960) volgden in de daaropvolgende 58 jaar nog 106 kinderboeken waarin hij controversiële onderwerpen en absurdisme niet schuwde. Volgende maand ziet nummer 108, getiteld Mijn Droomopa, het levenslicht.

De liefde

Dolf Verroen woont al ruim 35 jaar in Friesland met zijn partner Gerard Hemmes. Eerst 31 jaar in een ‘spannend kruip-door-sluip-door huis’ in de bossen bij Langweer, maar toen Gerard last kreeg van zijn heup verkaste het duo naar Sint Nicolaasga, waar ze een huis vonden dat beter toegankelijk was voor een rollator.

Hij heeft altijd geweten dat hij meer op mannen valt dan op vrouwen, maar praten over homofilie was taboe in Huize Verroen in Delft en werd in die periode ook maatschappelijk doodgezwegen. Toch is hij meer dan tien jaar getrouwd geweest. “Met een vrijgevochten en vrolijke journaliste” verduidelijkt hij “Die ik ontmoette dankzij mijn goede vriend en schrijver Rico Bulthuis. Ik had in die periode een stiekeme affaire met een jongen, die helemaal mis liep. Daar durfde ik met niemand over te praten, behalve met haar. Zij wist overal van, vond mijn homofilie geen probleem en we hadden het de eerste jaren erg leuk met elkaar. Maar toen bleek dat onze karakters en onze bedoelingen in het leven totaal anders waren en we beiden wilden uitvliegen botste dat en werd het een akelige affaire. Dat heeft meer dan tien jaar geduurd, misschien wel omdat ik van nature laf van aard ben. Ik kan heel goed voor mijn mening opkomen, maar ben weinig daadkrachtig.”

“Mijn partner Gerard ontmoette ik via de Schrijverscentrale, de organisatie die bemiddelt bij auteursbezoeken door het hele land. Het klikte en om een lang verhaal kort te maken, we zijn al bijna veertig jaar bij elkaar. We besloten vanwege de rust en de privacy naar Friesland te verhuizen.”

Gelauwerd

Zijn boeken zijn onder meer vertaald in het Fries, Frans, Duits, Deens, Noors, Zweeds, Spaans en Japans. In 1999 werd Verroen benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In 2016 schreef hij het Kinderboekenweek-geschenk Oorlog en Vriendschap. Daarnaast kreeg hij drie maal een Zilveren Griffel voor: De kat in de gordijnen (1979), Hoe weet jij dat nou? (1981), en Een leeuw met lange tanden (1987). Ook internationaal bleken zijn boeken aan te slaan. Hij kreeg in Italië en Duitsland prestigieuze prijzen voor Allemaal de boom in en voor Slaaf kindje slaaf.

Heintje Davids-effect

Sinds een paar jaar sluit hij ieder interview af met het ‘statement’ dat hij nu toch echt stopt met het schrijven van kinderboeken en zich gaat wijden aan zijn memoires. Maar evenzovele keren lukt hem dat niet. “De onderwerpen blijven komen en dan moet ik het op papier zetten. Maar volgend jaar moet het toch echt gebeuren.”

We zijn benieuwd.

Door Wim Walda

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding