Face to Face met Lammert Postma uit IJlst: De laatste der Mohikanen
IJLST - Bij IJlster Lammert Postma (1954) stroomt muziek door de aderen. Van jongs af aan speelde hij in verschillende bands. Mede dankzij hem kreeg de muziekschool in IJlst een Popschool. Bovendien runt hij een van de laatste overgebleven gitaarwinkels in Friesland.

Lammert Postma is geboren in Assendelft en kwam in 1958 in Sneek wonen in de wijk Het Eiland. “Alle bekende Sneker families woonden daar toen”, zegt hij. “Doevendans, Schurer, Alkema, Faber, Spitse. Ik ging naar de Looxmaschool in de Looxmastraat. Mijn broertje Wouter deed aan drummen bij het toenmalige Thusnelda Greate Pier, later Rhythm Stars. Daar zeiden ze: ‘Als Lammert net zo talentvol is als jij, mag die ook bij ons komen drummen. Hierna werd ik bij tekort aan slagwerkers ook nog slagwerker bij het Leeuwarder korps Euphonia, waar ik Lieuwe Toren ontmoette. Samen met Lieuwe en Sneker Jan Spoelstra startte ik op 14-jarige leeftijd een bandje, waarin ik de basgitaar voor mijn rekening nam.”
Van Popschool naar gitaarwinkel
”Tijdens mijn militaire diensttijd op de kazerne in Ermelo was ik verantwoordelijk voor de welzijnszorg van militairen. Daar regelde ik alles rond theater en legde ik allemaal muzikale verbanden. Ondertussen was mijn voormalige lagere school in IJlst een muziekschool geworden. Op verzoek van directeur Bram Feenstra bracht onze band hun installatie naar de muziekschool en kreeg de allereerste Popschool gestalte.
Na mijn diensttijd ben ik het commerciële circuit ingedoken. We speelden veel op feestjes, bruiloften revue’s enzovoort. Let wel: dat deed ik naast mijn fulltime baan.” Breed lachend: “ Hoe ik het destijds voor elkaar gekregen heb, weet ik niet meer. Al in de jaren negentig was de huidige “winkel” een studio, waar ik cd’s schreef en opnam. Maar de studio kostte alleen maar geld, dus toen heb ik er een winkel van gemaakt. Vroeger als mijn gitaar kapot was, kon ik ‘m niet naar een reparateur brengen: ik had weinig geld. En veel interesse Dus ging ik zelf repareren. Wat een ander opgaf, daar begon ik aan. En het lukte nog aardig ook!
Ook ben ik naar allemaal muziekwinkels geweest, onder andere in Amerika, naar de oude Gibson gitaarfabriek in Kalamazoo in Michigan. In Amerika raakte ik in gesprek met een man, Joe genaamd. Die zei na een lang en vrolijk gesprek: ‘You’ve got GAS: a Guitar Acquistion Syndrome’.”
Waarom zijn veel andere gitaarwinkels al gesloten?
“Er zit geen brood meer in. Je moet heel wat omzetten om te kunnen leven van de in- en verkoop van muziekinstrumenten. Op de Europese markt zijn er een paar die heel groot kunnen inkopen. Wil je iets afnemen van grote dealers, dan moet je tenminste voor € 50.000,- inkopen. Dat ga je nooit omzetten. De Chinezen bieden via allerlei kanalen muziekinstrumenten aan voor een tiende van de vergelijkbare gitaarprijs. Die denken in omzet op lange termijn. Toen ik nog een korte tijd een internetwinkel had, maakte ik gillende omzetten. Alleen verdien je dan amper geld. Dat ben je kwijt aan verzendingen en retourzendingen en hele lage marges. Nu is mijn voordeel dat ik er niet van hoef te leven. Voor mij is het een hobby. Hier komen muzikanten op zaterdag bij me langs, vlak voor een optreden, en zeggen dan: ‘Ik heb een plectrum of een snaartje nodig.’ Mensen vragen me: ‘Koop je in en verkoop je ook muziekinstrumenten?’ Zo is een soort buurtwinkel ontstaan. Er komt eens iets binnen; er gaat weer eens iets weg.”
Wat maakt jouw gitaarwinkel uniek?
“Volgens mij is er nog een muziek- en gitaarwinkel in Dokkum en Franeker. Wat mij anders maakt, is dat ik hier niet zit om te verkopen, maar om muziek te promoten. Ik wil stimuleren dat mensen, vooral kinderen, muziek gaan maken. Ik vind het verontrustend hoeveel tijd jeugd op de telefoon doorbrengt. Of dat een jongere zijn klasgenoten op school moet uitleggen wat een gitaar is. Muziekles op school is er niet meer en dat vind ik doodzonde. Vroeger had ieder dorp een fanfare of brassband waar kinderen leerden een muziekinstrument te bespelen. Daardoor kregen ze een gevoel voor muziek, dat ze nooit meer kwijtraakten. Doordat jongeren minder kennis maken met muziek, komen talenten nu minder bovendrijven. Gelukkig zijn er wel jongeren die zichzelf via onder andere YouTube of via de muziekschool leren spelen en zo hun talenten ontwikkelen.”
Zie je nog veel jonge talenten die gitaar willen leren spelen?
“Zeker wel. Aan een jongen die bij mij op les kwam, had ik een gitaar geleend. Hij was getalenteerd, maar kon geen gitaar betalen. Op een gegeven moment vroeg hij mij: ‘Kan je een snaar vervangen op Anita, mijn gitaar?’ Toen heb ik gezegd: ‘Als je een naam geeft aan deze gitaar, is ie van jou. Neem ‘m maar mee.’ Een financiële beperking moet geen belemmering zijn om te spelen. Dat geldt ook voor een verstandelijke beperking. Ik kan intens genieten als ik zie hoe enthousiast leden van de Talentband (een samenwerking tussen Piet Bakkerschool, de Sinne en kunstencentrum Atrium - red.) zijn over muziek maken. Ook heb ik eens een jongen van 14 jaar ontmoet, die de sterren van de hemel speelde. Zijn grootste wens was om in een band te spelen. Dat heb ik geregeld op een vrijdagochtend bij It Podium in IJlst. De oudere muzikanten die daar eens per maand op vrijdagmorgen zijn, stonden met open mond te kijken.”
Hoe zou jij de Friese muziekscene willen omschrijven?
“Die moet je niet onderschatten. In 2008 is via Stichting Friesland Pop het boek ‘Rûge Gids van de Friese Popmuziek’ uitgekomen over Friese muzikanten vanaf de jaren zeventig. In die jaren speelde iedereen die kon spelen in een bandje. En de meesten daarvan spelen nog. Ik zeg altijd maar: ‘Een muzikant wordt nooit oud’. Óf die gaat dood aan het ruige leven, óf de muziek houdt hem jong. Frans van der Borg uit Leeuwarden is volgens mij 81 jaar; hij speelde recentelijk nog bij It Podium en was niet achter het Hammond orgel weg te slaan. Datzelfde geldt voor de eigenaar van de Music Store Leeuwarden, Hans Wolfslag. Die is 76 jaar en speelt nog steeds voor de lol. Zelf speelde ik de jaren tachtig in de Gaasterlandse Red Cliff Band. Als die optrad in Bakhuizen zat de tent tot aan de nok toe vol. We waren wereldberoemd in heel Bakhuizen en reden in een oude brandweerauto, die 1 op 3 nam. Ze praten er nu nog over.”
Heb je ooit overwogen om te stoppen?
“Nee, ik kán niet stoppen. Tien jaar geleden ging ik naar de dokter, omdat ik een hele dikker vinger kreeg. Die zei: ‘Je hebt artrose. Nog een jaartje en dan speel jij geen gitaar meer’. ‘Vergeet het maar’, was mijn reactie. ‘Dan maar een beetje pijn lijden; pijn gaat over’. Zó groot is mijn drive om muziek te maken. Ik geniet ervan leuke gesprekken te voeren met iemand die een plectrum komt kopen. Van het opknappen van een oud gitaartje dat naar iemand gaat die nog moet leren spelen. Laatst kwam ik zelfs nog iemand tegen die in de jaren zeventig in de Dizzy Man’s Band had gespeeld. In mijn legertijd had ik die nog geholpen met opbouwen; veertig jaar later kwamen we elkaar weer tegen.”
Wat was jouw eerste gitaar?
“Een Egmond basgitaar van een fabriek uit Best. Het was de slechtst mogelijke gitaar die je kunt bedenken. Het bloed liep me over de vingers. Daarna kreeg ik een Gibson en die heb ik te goedkoop verkocht. Weet je: een gitaar is meer dan een instrument. Een gitaar is kunst, niet voor niets hangen hier gitaren aan de wand. Ik heb ook een speciale Fender gitaar, die ik mij vroeger niet kon veroorloven. Die zit in een koffer; ik speel er nooit op, maar kijk af en toe even.
Momenteel speel ik op een Blade gitaar. Ik speel in verschillende bandjes en verzorg een of twee keer per maand een optreden tegen minder dan een onkostenvergoeding. Een dj verdient meer. Weet je: het lichaam bestaat uit trillingen en muziek maakt trillingen. Daarom maak ik muziek: met mijn gitaar of basgitaar gaat muziek leven.”
Wat wil je lezers nog meegeven?
“Dat ze muziek moeten gaan maken. Hoe oud je ook bent, het is nooit te laat.”
Tekst: Riemie van Dijk
Foto: Laura Keizer












