Brieven van dichteres Rixt opgedoken
De brieven dateren uit 1965/66. Aanleiding zijn vragen van ds. Hagen aan Rixt over passages uit De gouden rider, haar dichtbundel waar ze in 1952 de Gysbert Japicxprijs voor kreeg. Hagen was eerder dominee in Leeuwarden en kreeg het Fries er aardig onder de knie. Maar hij kan niet alles volgen als hij in de zomer van 1965 De gouden rider in zijn woonplaats Rotterdam aan het lezen is. Hij besluit eerst zijn licht bij collega-dominee F. Dykstra uit Hijum op te steken. Die stuurt hem een uitgebreide brief met verschillende vertalingen en verklaringen van woorden en regels uit de bundel van Rixt. Maar op sommige punten kan hij Hagen niet genoeg helpen. Die besluit om de dichteres zelf te benaderen. Hij zoekt haar adres op in het telefoonboek en schrijft haar een brief. Zo begint een korte correspondentie, met Rixt in de rol van uitlegger van een aantal van haar gedichten en inleider in de Friese literatuur. De correspondentie houdt begin 1966 enigszins abrupt op als Rixt Hagen vraagt een deel van het materiaal dat ze hem gestuurd heeft terug te sturen. Ze gaat op reis naar Egypte en wil voordat ze vertrekt haar spullen graag weer op orde hebben. Hagen doet dat en sluit bovendien een papieren rijksdaalder voor de porto in. Dan sluit Rixt haar laatste brief lachend af: ‘”Hjir hat de man mei oan west,” dacht ik. En nu maakt het papiertje de reis terug naar Rotterdam.’ De vier brieven van Rixt aan Hagen, de brief van ds. F Dykstra aan ds. J.C. Hagen en de eerste en tweede brief van Hagen aan Rixt (die ook bij de schenking van Koos Hagen zaten) worden nu toegevoegd aan het persoonlijke archief van de dichteres dat bij Tresoar ligt.

De aanbieding van de brieven vindt plaats op vrijdag 31 januari om 11 uur in Tresoar, bij het portret van Rixt in de Gysbert Japicxzaal.
Van 30 januari t/m 5 februari is het Week van de Poëzie.













