Jean Paul Scholte “Hartverwarmend en triest tegelijk”
LEMMER - Werken in een supermarkt en er leiding aan geven, betekent in deze tijden meer dan ooit tevoren. Jean Paul Scholte, bedrijfsleider van de Poiesz in Lemmer, vertelt over zijn bijzondere ervaringen en over de verhalen van collega’s en klanten. “Eén van de mooie bijkomstigheden is dat mensen beter op elkaar passen.”
Jean Paul Scholte
Stel je eens voor dat iemand je vertelt dat over twee weken heel veel mensen met een mondkapje op lopen en dat ze naar geen enkele winkel meer gaan, behalve eens per week hun boodschappen halen. In de gegeven omstandigheden van het moment van schrijven is dit een voor te stellen situatie. Wie weet is dit al werkelijkheid op het moment dat je dit leest. Een situatie die je je begin maart niet voor kon stellen. In een paar weken tijd kan iets wat heel gewoon is ineens ongewoon of zelfs asociaal zijn.
Schril contrast
Dit moet een interessante tijd zijn voor mensen die zich bezighouden met vraagstukken hoe je veranderingen in culturen in gang kunt zetten. Het kostte grofweg twee decennia om een gewoonte als roken om te buigen tot iets wat we afkeuren. Het kostte grofweg twee eeuwen om te ontkerkelijken. Het kost al een paar jaar om de grens van alcoholconsumptie van 18 jaar te verlagen naar 16. Er is in het afgelopen decennium een beweging gaande om ons eetpatroon bewuster te maken. In schril contrast kostte het maar twee weken om niet meer in groepen bij elkaar te komen. Om niet meer elkaar een hand te schudden. Om in de ellenboog te hoesten.
“En om gepaste afstand van elkaar te houden tijdens het boodschappen halen. Natuurlijk heb ik wel mopperende klanten gehad, maar als je bekijkt hoe snel iedereen eraan gewend is, dan is dat best bijzonder”, vertelt Jan Paul Scholte.
Al sinds 1988 is hij werkzaam in de supermarktbranche. Hij kent het klappen van de zweep. “Ja, in die tijd heb ik een boel dingen voorbij zien komen.” Het aansturen van een supermarkt doet hij al geruime tijd. “Dertien jaar geleden begon ik als assistent-bedrijfsleider voor de Poiesz. En inmiddels twaalf jaar als bedrijfsleider, hier in Lemmer. Het bevalt me nog steeds ontzettend goed. Het mooie aan dit werk is, dat ik veel dingen mag organiseren en daarin een behoorlijke vrijheid krijg. Natuurlijk moet ik mij verantwoorden aan de rayonleiders en directie, maar omdat bij de Poiesz de lijntjes zo kort zijn, blijft die vrijheid groot. Daarnaast werk ik met een redelijk vaste groep. Er is weinig verloop, omdat de loyaliteit richting de werkgever groot is. Als team kennen we elkaar daarom goed. Onder de jeugd vindt er natuurlijk wel veel verloop plaats, maar dat maakt dit werk ook mooi. Ik voel mezelf een stuk jeugdiger als ik met hen werk. Ik blijf door hun leefwereld redelijk op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en ik vind het leuk om ze iets te leren en mee te geven.”
Lachen om de maatregelen
Ook al is er voor Jan Paul niet veel nieuws onder de zon, de gebeurtenissen rondom het coronavirus heeft hij nooit eerder meegemaakt. “Toen ik in januari het nieuws volgde over hoe het virus zich verspreidde in China, kreeg ik al een onderbuikgevoel dat het niet alleen daar zou blijven. Niet veel later dook het op in Italië waardoor het opeens een stuk dichterbij kwam. En dan steekt het plots op in Brabant en staat het voor je deur. In die dagen kreeg ik een mailtje van de directie dat we geen handen meer mochten schudden. Het mailtje printte ik uit en hing ik op de deur van de kantine. Ik riep mijn collega’s bij elkaar om ze op de hoogte te brengen. ‘Dit is nieuw beleid,’ zei ik tegen ze, ‘en reken maar dat er meer maatregelen komen’.”
Eén van zijn collega’s keek Jan Paul aan en vroeg: “Maar als we geen handen meer mogen schudden, hoe moeten we elkaar dan wel groeten?” “Tja, dan maar de voeten tegen elkaar aan of elkaar een elleboogje geven. Er werd gelachen. Daar is ook niks mis mee, want dan wordt er in ieder geval op gereageerd.”
Andere rol als bedrijfsleider
En zoals Jan Paul voorspelde volgde de ene maatregel na de andere. De voeten tegen elkaar kon niet langer, er moest anderhalve meter afstand blijven. Niet veel langer volgde de maatregel om een deurbeleid toe te passen. Er mag per tien vierkante meter niet meer dan één persoon lopen. “Dat betekent dat het op drukke momenten inhoudt dat sommigen eerst buiten moeten wachten voordat er een klant de winkel uitloopt.”
Met negentig man personeel is het nog te doen om iedereen aan de voorschriften te laten houden. “Natuurlijk zie je dat niet iedereen van ons meteen gewend is aan de nieuwe maatregelen. Zeker de jeugd staat er nog wat anders is dan het vaste team. Zo zie je dan, als twee van hen klaar zijn met hun dienst, ze schouder aan schouder naar de kantine lopen. Dat kan natuurlijk niet, wij moeten het goede voorbeeld geven. Tegelijk moeten we zó snel omschakelen in ons gedrag dat het logisch is dat we niet van het één op het andere moment onze oude patronen loslaten. Mijn taak is dan het personeel steeds te wijzen op onze voorbeeldfunctie en dat gaat gelukkig goed. Ik werk met een hecht team en iedereen is bereid zijn beste beentje voor te zetten.”
Wat Jan Paul vraagt van zijn personeel, vraagt hij ook van zijn klanten. “Ja, dat maakt het werk toch echt wel anders dan voor de uitbraak van het virus. Ik moet nu opeens naar klanten lopen om ze erop te attenderen de regels in acht te nemen. En ook hier maakten we mee dat klanten over collega’s heen hingen om producten uit de schappen te pakken. We hebben daarom besloten als collega’s fluorescerende hesjes te dragen waarop staat anderhalve meter afstand te houden. Dat werkt goed. Zo wordt iedereen er steeds op gewezen om bij elkaar uit de buurt te blijven.”
Onbegrip slaat snel om in begrip
Jan Paul is er zeer over te spreken hoe welwillend iedereen is. “Onbegrip slaat in een enorm tempo om in begrip. Bovendien zijn klanten er erg over te spreken als we ze helpen. Een van onze maatregelen is om bijvoorbeeld alle karretjes buiten los van elkaar te zetten. Zo hoeven klanten geen andere karren aan te raken. Daarnaast staat er iemand van ons buiten om na ieder klantbezoek het karretje te ontsmetten. Je ziet dat klanten dit waarderen. Zo verpakken we groenten die normaal gesproken zonder verpakking in kratten ligt. Om onze bloemkolen zit nu bijvoorbeeld een plasticfolie. In het kader van het milieu is dat even wat minder vriendelijk, maar – het klinkt een beetje raar als ik het zo zeg – nu moeten we er eerst aan werken om de uitbraak onder controle te krijgen.”
Eén van de dingen die Jan Paul ontroert, is de hoeveelheid complimenten die klanten nu geven. “Wat tot voorheen voor velen de normaalste zaak van de wereld was, wordt nu met trots beleefd. Dat wij het voor elkaar krijgen om iedere dag de schappen weer vol te hebben; iedere dag hier staan om klanten te helpen; een ouderenuurtje hebben geïntroduceerd; meedenken hoe klanten die hun boodschappen bezorgd moeten krijgen dit veilig en binnen aanzienlijke tijd thuis geleverd krijgen; dat soort zaken worden nu veel meer door klanten gewaardeerd en uitgesproken.”
Het bezorgen van de boodschappen is misschien wel het meest intensief. “Een klant die nu bestelt, kan pas over een week geleverd krijgen. De wachtrij is lang. We attenderen klanten erop dat bezorging nu alleen bedoeld is voor hen die in risicogroepen zitten of besmet zijn. En het is soms best sneu voor welke situaties de bezorgers komen te staan. Er zijn vooral oudere klanten die hun boodschappen niet goed kunnen tillen. Toch kan de bezorger ze nu niet voor hen uitpakken en in hun keukenkastjes zetten. En tegelijk zijn er ook momenten dat een oud vrouwtje van dik in de negentig ons doet verbazen wat ze met een iPad kan. Het is hartverwarmend en triest tegelijkertijd. Dat maakt dit werk heel bijzonder.”
Tekst Albert Bouwman












